Boekenkrant schrijfwedstrijd – Lust ik je rauw?

VrijVoor de Boekenkrant schrijfwedstrijd, moest ik een verhaal schrijven van maximaal 1500 woorden en met contact als onderwerp. Het valt niet mee om een samenhangend verhaal te schrijven als de tekst zo kort moet zijn. Afijn, ik wil toch het resultaat met je delen:

Lust ik je rauw?

“Hé, ga eens aan de kant. Je blokkeert de hele stoep,” moppert een langslopende dame. Nou, dame… Ze heeft ontzettend haar best gedaan om, met behulp van duidelijk goedkope en veel te drukke kleding, haar aanzien op te krikken van middelbare leeftijd naar een paar jaar jonger. De heftige kleuren en haar make-up verpesten het resultaat van haar inspanningen.
Nerveus stap ik opzij, al friemelend aan de zoom van mijn jas. Met hoogrode wangen stamel ik zachtjes: “Sorry,” terwijl ik mijn aandacht verleg van de onaardige vrouw naar het café aan de overkant. Waarom ben ik in hemelsnaam gegaan?

Twee weken eerder

“Het spijt me Jennie, je past gewoon niet in het team,” vertelt mijn baas me. Zoals gewoonlijk kan ik niet méér opbrengen dan een kleur krijgen, knikken en zwijgend het pand verlaten.
Het moeizame zoeken en vooral behouden van werk vormt zo ongeveer de rode draad in mijn leven. Sollicitatiegesprekken zijn een ramp, want ik durf niemand aan te kijken en kan amper uit mijn woorden komen. Vrienden heb ik niet, die paar die het hebben geprobeerd, hebben me opgegeven. Als ik al iets zeg, praat ik met zachte stem, ken ik geen overtuiging en val stil bij de miste tegenspraak.
Oh, in mijn hoofd kan ik het wel. Sta ik fier rechtop en kijk ik de wereld in met een “Ik lust je rauw” houding. Met mijn tweeëndertig jaar lijd ik echter nog steeds aan een extreme vorm van verlegenheid. Bij elk ontslag neem ik me voor om de volgende keer niet zo timide te zijn, meer van me te laten horen. Tegen de tijd dat mijn derde sollicitatiebrief de deur uit is, is dat voornemen met de Friese wind mee aan de waai gegaan.

Thuisgekomen zoek ik troost bij het enige wezen waar ik wèl alles tegen durf te zeggen. Spinnend laat Pluis zich oppakken en aanhalen terwijl ik mijn frustratie en moedeloosheid van me af praat: “Ik had ‘m gewoon moeten zeggen dat het bullshit is. Of ik wel of niet in een team pas mag toch niet afhangen van hoe spraakzaam ik ben? Maar de volgende keer gaat het anders, Pluis, vanaf nu ga ik zeggen wat ik denk.” Mijn stem wordt zelfs tijdens mijn monoloog al zachter van de spanning. “Dan maar een kleur als een boei,” fluister ik er nog moedig achteraan.

We weten allebei dat het niet waar is.

Ik drink een kop thee terwijl ik vanachter de computer mijn band met de buitenwereld probeer te versterken. Social media… er is niets sociaals aan, als je er even bij stilstaat. Oh, ik heb genoeg “vrienden” daar. Maar niemand die ik persoonlijk ken. Die hebben me allang weer ontvriend. Misnoegd blader ik door mijn tijdlijn als mijn oog valt op een advertentie. Over verlegenheid, assertiviteit, voor jezelf opkomen, in jezelf geloven…
Mijn hart besluit te gaan galopperen. “Pluis, dat is het! En dit is het juiste moment. Dit moet ik gaan doen”. Nog terwijl ik die woorden uitspreek, voel ik mijn angst en onzekerheid de kop opsteken. Wat staat me hier te wachten? Ik sta op en zet thee, zonder te klikken op de advertentie. Houd mezelf bezig met wat lezen, de kattenbak en wat huishoudelijke klussen.
Pluis slaat me al die tijd gade, zittend op de lekker warme en zacht brommende computer. Uiteindelijk geef ik zuchtend toe: “Je hebt gelijk, Pluis…” en voor mijn doen resoluut open ik de link. Met trillende vingers vul ik het contactformulier in en klik op de verzendknop. De rest van de dag doe ik niets meer uit pure nervositeit.

Van slapen komt niet veel die nacht en al vroeg stap ik uit bed om rusteloos door het huis te lopen. Hier en daar aan wat klusjes beginnend om ze direct daarna te laten liggen en wat anders op te pakken.
Dan gaat de telefoon. Verschrikt kijk ik op en pak mijn telefoon. Aarzelend kijk ik naar het nummer, “onbekend”. Ik druk ‘m weg. Twee tellen later gaat hij weer over. Weer nummer onbekend. Opnieuw druk ik ‘m weg. Pas na de vijfde keer blijft het stil. Ik heb zo’n spijt van mijn impulsieve actie. Hier moet ik weer vanaf, weet ik wanhopig.
Ik zoek de bevestigingsmail op en stuur vertwijfeld een antwoord, in de hoop dat het gelezen wordt: “Beste lezer, wilt u mijn contactverzoek alstublieft als niet verzonden beschouwen? Ik heb geen behoefte aan hulp. Met vriendelijke groet, Jennie”.
Met een opgelucht gevoel zak ik op de bank neer en grijp mijn boek. Drie bladzijden later wordt er opnieuw gebeld… Weer druk ik het onbekende nummer weg. Met de benauwende zekerheid dat dit niet de laatste keer is.

Alles wat je vreest wordt bewaarheid, dus na een paar minuten gaat mijn telefoon opnieuw over. Ik neem op, met het voornemen om meteen aan te geven dat ik dit niet wil. “Hallo?”
“Hallo, met Peter Wester van BeYou, spreek ik met Jennie?” vraagt een prettige stem.
“Ja, maar het spijt me, ik had dat formulier niet in moeten sturen,” antwoord ik zacht en met trillende stem.
“Dat snap ik, Jennie. Een vreemde aan de telefoon, niet wetend wat je ervan moet verwachten… ik ken die angst. Mag ik je iets over mezelf vertellen? Je hoeft alleen maar te luisteren, is dat ok?” zijn geruststellende stem klinkt zo open dat ik geen “nee” kan zeggen. Ik zeg niets, maar hang ook niet op.
Na een korte pauze vertelt hij: “Ik ben opgegroeid in een probleemgezin en werd als kind genegeerd. Als ik niet genegeerd werd, dan werd ik wel gekleineerd. Niet alleen door mijn ouders, maar ook door mijn oudere broer en zus. Ik wist niet beter, dus toen ik naar school ging, verwachtte ik niets anders van mijn medeleerlingen en leraren. Die verwachting was zo sterk, dat ik daar deed wat ik thuis ook deed, ik maakte me onzichtbaar. Sprak alleen als iemand dat vroeg en keek daarbij altijd weg. Want als ik thuis iemand aankeek, dan was ik brutaal en opstandig. Toen ik ging werken verliep het contact met mijn collega’s net zo moeizaam, met als gevolg dat mijn proefcontract niet werd verlengd. Dat ging zo door tot ik bij een klein bedrijf kwam. Zij zetten me ertoe aan om hulp te zoeken. Met succes. Dankzij hen ben ik over mijn angst heen gekomen, leerde ik voor mezelf opkomen. En toen ik dat eenmaal kon, besloot ik anderen daarmee te gaan helpen. Inmiddels doe ik dat al zeven jaar fulltime en met heel veel plezier.” Dan is het even stil, ik weet niet wat ik moet zeggen. Voel me vreemd genoeg gehoord.
“Jennie, vind je het goed dat ik je morgen weer bel? Een paar minuten maar. Ook dan hoef je niets te zeggen en alleen te luisteren, ok?” Tot mijn eigen verrassing fluister ik: “Ok,” waarna ik ophang.

De volgende dag belt hij zoals afgesproken en legt uit hoe hij te werkt gaat. Hij maakt zijn belofte waar, het duurt maar een paar minuten. Ook tijdens dat gesprek zeg ik niet meer dan “hallo” en “ok”. Vanaf dat moment belt hij elke dag en na een week voeren we een gesprek. Een echt gesprek. Van mijn kant met korte zinnen en nog steeds aarzelend, maar wel met groeiend zelfvertrouwen.
Tot hij op de negende dag voorstelt: “Wat zou je ervan vinden als we elkaar ontmoeten? Ik ben elke week op woensdagochtend bij Café de Laar te vinden. Het café is dan officieel nog gesloten, maar ik kom daar met een heel klein groepje samen. We zijn nooit met meer dan vijf.” Mijn zelfvertrouwen slinkt niet, maar verdwijnt gewoon. In één klap. Na een paar onduidelijke pogingen om wat te zeggen, hang ik op. Als hij de volgende dag weer belt, neem ik niet op. Pas op maandag ben ik zover dat ik het weer aandurf. Hij verontschuldigt zich dat hij me overvallen heeft, stelt me gerust en komt met een nieuw voorstel. Dat ik eerst alleen hem ontmoet en dat we daarna wel verder zien.

Vandaag, tegenover Café De Laar

Nu sta ik hier en word overvallen door een enorme teleurstelling in mezelf. Ik durf niet en draai me om, om weg te gaan.

“Ben jij het, Jennie? Wat goed dat je gekomen bent!” Verschrikt kijk ik de man aan die voor me staat. Peter is heel anders dan ik me had voorgesteld, vrij klein, gespierd, bijna zwart haar en een modieuze bril. Hij steekt zijn hand uit, die ik automatisch aanneem. Glimlachend vervolgt hij: “Volgens mij ben ik precies op tijd, was je er anders weer vandoor gegaan, of niet?” Ik knik, sprakeloos en met een korte, zenuwachtige grijns. Hij knipoogt: “Dat verbaast me niets. Zo’n eerste ontmoeting is altijd spannend. Ga je mee?” Hij gebaart naar het café aan de overkant. Heel even denk ik aan vluchten, maar ik zie zijn rustig afwachtende houding, hervind mezelf en antwoord zacht, met een zekerheid die mezelf verrast: “Ik ga mee.”

Ik heb me nog nooit zó bevrijd gevoeld.

 

***

 

Voor het geval je je afvraagt of het autobiografisch is: Ja en nee. Ja, ik ben verlegen geweest, luister liever dan ik praat, maakte vooral in mijn jeugd niet makkelijk vrienden. Gelukkig was het nooit zo erg als ik hierboven heb beschreven en inmiddels ben ik een heel stuk assertiever geworden. 😉

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *